Het verschijnsel ‘Parkinson’


In 1817 publiceerde de Engelse arts James Parkinson (1755 – 1824) zijn beroemd geworden boek, “An Essay on the Shaking Palsy”.


In dat boek heeft hij als eerste de symptomen van de ‘Paralysis Agitans’ (de ‘schudverlamming’) zo nauwkeurig beschreven, dat daar in de loop van de jaren niets wezenlijks aan hoefde te worden toegevoegd. Pas later werd het de “ziekte van Parkinson” genoemd, toen in 1868 die uitgebreide observaties door de Franse neuroloog Charcot wereldkundig werden gemaakt. Charcot maakte daarbij het onderscheid met de ziekte ‘Multiple Sclerose’ (MS).

Charcot werkte in de bakermat van de neurologie de Salpetrière in Parijs. Hij was een van de grondleggers van de neurologie, zoals Freud dat was van de psychiatrie. In die tijd – nog geen 150 jaar geleden! -ontleende men zijn kennis aan het goed waarnemen van de zieke mens, want toen wist men nog maar weinig van wat er zich feitelijk in het brein afspeelde.

Zo blijkt het irriterende beven (tremor) in zo’n 40% van de gevallen voor te komen en er vooral in rust te zijn; terwijl de MS-patiënt juist beeft als hij in actie is; die heeft een ‘Intentietremor’. Ook de stijfheid (rigiditeit) heeft James Parkinson beschreven en de traagheid (a-, brady- of hypo-kinesie), die het hele bewegen ‘onhandig’ of zelfs onmogelijk kan maken. De ‘schudverlamming’ heeft dus alles te maken met bewegingsonmacht. Feitelijk is er geen sprake van een verlamming, zoals dat wel het geval is bij mensen na een herseninfarct (CVA) of met MS.

De ‘Ziekte van Parkinson’ (‘Parkinson’) onderscheidt zich van een beroerte, het Cerebro Vasculaire Accident (CVA) en Multiple Sclerose (MS), door een andere prikkelgeleiding. Bij Parkinson gebeurt dat in de synaps, met behulp van een neurotransmittor, een stof ‘dopamine’, die de ‘boodschappen’ moet overdragen van de ene cel op de andere. Daarover straks meer.

Mensen met Parkinson kunnen soms het ene moment (redelijk) goed bewegen (‘on’) en een ander moment plotseling als het ware aan de grond genageld staan (‘off’).
Zij kunnen dus eigenlijk wel bewegen, maar ze weten niet wanneer!
Na grondig wetenschappelijk onderzoek, is nu duidelijk, dat die verschijnselen het gevolg zijn van een organische afwijking in de hersenen.

 

De Hersenen:

Om zich de Hersenen eenvoudig te kunnen voorstellen is in de Afbeelding hierbij aan de voorkant de ‘Frontale schors’ te zien. Dat is de “dirigent”, die als het ware het functioneren harmonieus arrangeert, door met zijn ‘orkest’ van hersensystemen plannen te maken, die te organiseren en te controleren.

Als die ‘dirigent’ ontbreekt, zoals bij dementie het geval is, dan leidt dat tot passiviteit, doelloosheid en verwardheid.
Tot die hersensystemen behoort de motorische schors, waarin zenuwcellen (neuronen) zitten, die op een pyramide lijken; ze vormen het pyramidale systeem, dat grofweg van belang is voor de houding & beweging. Om die houding en dat bewegen genuanceerd en meer persoonlijk te laten zijn, wordt het extra beïnvloedt; ondermeer door wat de zintuigen waarnemen via de sensorische schors, door stemming en emoties via het limbische systeem en door het Cerebellum, de kleine hersenen, voor het evenwicht.
Deze systemen behoren tot het Extra pyramidale systeem, dat via de Basale kernen de fijne motoriek van houding & bewegen nauwkeurig bijstuurt.

Het neuron, waarvan er meer dan honderdmiljard in de hersenen blijken te zijn, heeft een ‘intelligente’ kern (nucleus), die energie kan genereren en (electrische) prikkels kan uitzenden, om het lichaam te laten functioneren.

Wanneer die nucleus in de motorische schors beschadigd is, ontstaan verlammingsverschijn-selen, die behoren bij een CVA: parese, paralyse, spasticiteit, contracturen en min of meer een aantasting van de vertrouwde manier van bewegen (bewegingsstrategieën). Normaal gesproken wordt die electrische prikkel langs de lange uitloper (Axon) naar een andere zenuwcel geleid, naar een spier, of een klier. Wanneer echter die axon beschadigd is, ontstaan verschijnselen van MS; die komen min of meer overeen met die van een CVA, maar zijn dikwijls progressief en het verloop ervan is onvoorspelbaar.

Bij Parkinson geschiedt de prikkelgeleiding niet in de cel, maar in de synaps tússen 2 cellen.

In die synaps wordt op een ‘intelligente’ manier de boodschap van de ene cel naar de andere overgedragen door zoveel dopamine af te geven, als nodig is om de grove motoriek op een fijne en genuanceerde manier bij te sturen qua snelheid, kracht en harmonie. Daardoor kan de houding & bewegingen op een mooie en vloeiende manier verlopen.
Buytendijk spreekt hier van ‘bewegingsluxe’! ‘Degene die het uitvoert kan daar plezier aan beleven en zelfs de toeschouwer geniet ervan!'

Yuri van Gelder, wereldkampioen turnen 2005


In de jeugd is er voldoende dopamine om op een spontane manier te kunnen bewegen, maar naarmate de leeftijd vordert, neemt de dopamineproductie af en daarmee dus ook die bewegingsluxe; de bewegingen worden stroever, trager en meer onhandig. Vergelijk de bewegingen van een Opa met die van zijn kleinkind.

Als uiteindelijk de dopamineproductie minder dan 30% is, is er sprake van Parkinson.
Daardoor is dan minder harmonie tussen de spieren; de bewegingen zijn minder vlot en verlopen trager, onhandiger en stijver en in zo’n 40% van de gevallen uit zich dat in beven. Maar de manier van bewegen zelf (bewegingsstrategieën), die is niet aangetast zoals dat wel het geval is bij CVA en MS.


Observeren

 

Door net als James Parkinson goed te observeren, hebben we geleerd, dat bij gebrek aan dopamine het bewegen ook kan worden bevorderd, door van buitenaf extra prikkels toe te dienen. Dit heet ‘Cueing’ en wil zeggen, dat die prikkels aanvullend = complementair moeten zijn aan het doel van handelen. Vergelijk het met lekker dansen op goede muziek.
Dat goed te observeren, maakt het werken met mensen met Parkinson zo interessant, want het is gebleken, dat met de juiste (‘taylor made’) Cue’s de bewegingen goed kunnen verlopen (‘On’). Maar als de patiënt bijvoorbeeld ‘nerveus’ wordt, kan hij de controle over zijn bewegen verliezen en dan kan hij gaan beven of verstarren, of zelfs als aan de grond genageld zijn (‘Off’).
(Ga bij jezelf eens na, wat ermet je gebeurt, als jij je bekeken voelt.)
Verder valt het op, hoe sommige mensen heel slim zelf een oplossing hebben gevonden voor hun handicap en hoe zij daarmee beter functioneren. Zo kunnen zij op de een of andere manier die ondersteunende prikkels krijgen; bijvoorbeeld door zich een vertrouwde beweging goed voor te stellen. (Zie hierover meer onder ‘Cueing’)


Een ziekte van dopamine?

Inmiddels is het duidelijk, dat de ‘ziekte van Parkinson’ eigenlijk niet bestaat!
James parkinson heeft immers alleen de verschijnselen beschreven.
En die verschijnselen ontstaan dus bij gebrek aan de boodschapperstof DOPAMINE.
Dat kan ontstaan zonder duidelijke oorzaak; dit heet dan idiopathisch! Onder de microscoop blijken de dopamineproducerende cellen dan ondermeer de zogenaamde Lewy-lichaampjes te vertonen. Maar het kan ook zijn dat de dopamineproductie is afgenomen vanwege een andere ziekten in de hersenen, zoals bijvoorbeeld een ontsteking, een tumor, slechte doorbloeding, (medicijn-)vergiftiging en dergelijke. In dat geval spreekt men van Parkinsonisme.
Verder blijken de verschijnselen van Parkinson te kunnen ontstaan als er weliswaar genoeg dopamine wordt geproduceerd, maar de cellen die de dopamine moeten ontvangen, daartoe niet meer instaat zijn, omdat er andere systemen in de hersenen ziek zijn. Zo kunnen mensen met Multiple Systeem Aandoeningen (MSA) ook de verschijnselen krijgen en mensen met de Progressieve Supranucleaire Palsy (PSP) en met een Essentieële Tremor (ET).
Het is niet de bedoeling van deze website om op al die ziekten van de hersenen dieper in te gaan; met vragen daarover kunt u zich het beste tot uw neuroloog richten.

Deze website is bedoeld om te helpen beter met de verschijnselen van Parkinson om te gaan.

Daarom volgt hierna in Hoofdstuk 3. een syllabus voor hulpverleners en belangstellenden;
met de titel:

“Weer ZIN in Bewegen met Cueing”


Verder in de volgende hoofdstukken: