Zoals al in de introductie is vermeld, is het verwarrend om van de ZIEKTE
van Parkinson te spreken, omdat de verschijnselen van Parkinson ook het gevolg
kunnen zijn van ‘andere’ ziekten in de hersenen.
Voor fysio- en ergotherapie en andere praktische hulpverlening is die diagnose
eigenlijk ook niet zo belangrijk, want het gaat niet om de oorzaak van de
verschijnselen, maar om de problemen met handelen als gevolg
van ‘Parkinson’.
Net zo min als de geamputeerde ooit zijn lidmaat met therapie zal terugkrijgen,
zal dat bij Parkinson het geval zijn met de dopaminetransmissie.
Maar blijkbaar hebben behandelingen wel degelijk zin om de problemen met handelen
te verbeteren. Daarvoor moeten de hersenen functioneel en
doelgericht worden getraind.
In het algemeen kan worden gezegd, dat het hoofd alle bewegingen
inzet; het hoofd is de ‘aanvoerder’:
‘het Hoofd is het hoofd van het lichaam’
En daarom moet het doel van handelen steeds goed voor ogen worden
gehouden.
(Net als de tennisser steeds zijn tegenstander goed in de gaten houdt!
)
Oefenen van spieren en gewrichten is weliswaar goed voor de conditie, maar
kan – zeker als het prestatie gericht is – ook confronterend zijn
en dan werkt dat averechts!
Hippocrates, de vader van de Geneeskunde beschreef al in zijn tijd (460 – 375 v Chr.) hoe belangrijk het is dat de patiënt nauwkeurig wordt waargenomen; zijn beroemde uitsprak was:
“de geneeskundige moet tolk zijn en dienaar van de natuur!”
Evenzo zal de therapeut de problemen met handelen eerst nauwkeurig moeten waarnemen. Bij voorkeur gedurende 24-uurs observaties om de verschillende verschijnselen; de fluctuaties (On/off-syndroom, de pulsies, freezing en de valneigingen) goed in kaart te kunnen brengen.

Geel = Matig
Groen = Goed = On
Rood = slecht = Off
Bovendien blijkt de patiënt het beste onder zijn eigen omstandigheden
te kunnen leren, hoe hij beter kan functioneren met de voor hem specifieke
aanwijzingen. (thuisfysiotherapie!) Hierna zal worden uitgelegd, hoe met aanwijzingen
= ‘Cueing’ het bewegen makkelijker kan worden
als die aanvullend zijn (‘complementair’) op
de vertrouwde manier van doen. En als dat niet lukt, zal die bewegingsonmacht
(‘palsy’) in het dagelijks leven moeten worden aangepast met de
nodige rust, persoonlijke hulp en/of hulpmiddelen.
Uiteindelijk gaat het om de kwaliteit van Leven van de patiënt!
Het aanleren van een andere manier van doen (‘Alternatieve’ strategieën) blijkt over het algemeen moeilijk te zijn. Ondermeer omdat veel patiënten praktisch niet in staat zijn om die andere manier goed in te prenten. Ga eens bij jezelf na hoe moeilijk het is, om eindeloos ingeslepen bewegingsstrategieën af te leren. Bovendien leidt het meestal tot grote verwarring als mensen zonder directe begeleiding hun ‘spontane’ handelingen ánders moeten uitvoeren.
**************
Cruchet publiceerde in 1925 in ‘The Lancet’ 2: 263-268, het verschijnsel, dat een Parkinsonpatiënt als eerste uit zijn brandende huis kon wegvluchten of, dat hij heel onverwacht en uiterst ongewoon, toch adequaat kan functioneren. Ook in de dagelijkse praktijk blijken mensen met Parkinson soms heel normaal te kunnen functioneren. Onder omstandigheden waarbij op verschillende manieren aanwijzingen (cue’s) worden gegeven, blijken activiteiten die eindeloos zijn uitgevoerd; in het dagelijks leven (ADL) of het werk en bijvoorbeeld bij hobbies en sport makkelijker te kunnen worden uitgevoerd. Omstandigheden, waarbij men geboeid is door het doel van bewegen én er met extra prikkels van buitenaf harmonieus wordt gestimuleerd door horen, zien en voelen. Zie bijgaande foto van een 78-jarige vrouw, die als 6-jarig kind al leerde paardrijden en nu na zo'n 20 jaar, ondanks haar ernstige Parkinsonsverschijnselen, daar nog steeds toe instaat bleek te zijn!

Ook (gefantaseerde) visualisaties kunnen een rol spelen om bewegingen te ondersteunen.
Er is dus duidelijk sprake van een harmonieus samenspel van verschillende
cue’s, die het doel van handelen bevorderen; zoals sfeer, uitdaging,
zich vertrouwd en op zijn gemak voelen, plezier en herinnering (i.p.v. stress
en competitie).
De handelingen moeten wel met mate worden gedaan (goed is goed genoeg)
en niet te langdurig, want stress werkt averechts! Dus als het niet lukt;
begin dan liever uit-gerust opnieuw.
Tenslotte: haastige spoed is met Parkinson helemaal niet goed.
De prikkels moeten ook een zeker verrassend effect hebben om er zich bewust van te kunnen blijven, want als ze weer een gewoonte worden, blijft het effect weg; net zoals men aan het tikken van de klok went en die dan niet meer hoort.
In ieder geval blijkt dus uit de Kinesia paradoxa en uit het ‘On/Off-fenomeen’, dat de eigenlijke bewegingsstrategieën níet verstoord zijn en dat er dus met ‘CUEING’ (zie verder) ‘boodschappen’ gegeven kunnen worden om de oorspronkelijke handelingen weer makkelijker te kunnen uitvoeren. (“Faciliteren”!)
Uit wetenschappelijk onderzoek naar verslavingen is gebleken dat er extra dopamine geproduceerd wordt in de zogenaamde ‘pleasure centres’ (Nc. Accumbens?). Die centra behoren tot het limbische systeem. Als dus onze lustgevoelens bevredigd worden; als we genieten, kunnen we meer adequaat functioneren!
“Echt genieten is pas goed voor Parkinson!”
(Zou het niet nuttig zijn, om een gedegen onderzoek te doen naar het verschijnsel ‘Kinesia Paradoxa’?! Die onverwachte bewegingsmogelijkheid met Parkinson is toch heel opmerkelijk; soms onder (levens-) bedreigende omstandigheden, maar ook in sportieve situaties; als de patiënt goed gemotiveerd en enthousiast is. En als hij vrij van de stress is om voor zichzelf te moeten opkomen of met anderen rekening te moeten houden; alsof de Parkinson dan even kan worden vergeten. Ofschoon ik vind, dat wij Kinesia Paradoxa als verschijnsel bij Parkinson niet moeten verwarren met het verschijnsel, dat ook dementerende mensen heldere momenten kunnen hebben, vraag ik mij toch af, of er niet enige overeenkomst bestaat. Want ofschoon Parkinsonverschijnselen ontstaan door degeneratie in de basale kernen en dementie het gevolg is van degeneratie in de hersenschors, lijkt het erop dat door herinneringen aan eindeloos ingeslepen bewegingsstrategieën mensen met Parkinson beter kunnen bewegen en dat demente mensen ook met herinneringen uit het verleden beter functioneren.)
**************
CUEING is het toepassen van ‘Cue’s’
Uit het Engels vertaald betekent Cue, aanwijzing, of wenk, maar ook ‘wachtwoord’:
Kortom ‘Een Cue is een aanwijzing, die voor de patiënt vertrouwd is’ ©.
Definitie: De cue is een aanvullende prikkel (boodschap!), die via de zintuigen horen, zien en voelen en in verbeelding ‘complementair’ aan de neurotransmittor wordt gegeven, om doelgericht en in harmonie met de beweging, de handeling makkelijker te kunnen uitvoeren.©.
Maar als goede leiding ontbreekt, blijkt het toepassen van
cue’s ook heel verwarrend te kunnen zijn; zeker als de patiënt
niet meer weet wat hij ‘eigenlijk’ moet doen.
Daarom zal de patiënt bij voorkeur thuis moeten oefenen onder zijn eigen
vertrouwde dagelijkse omstandigheden: en daar geleerd moeten worden, hoe hij
met de op-zijn-manier-van-doen afgestemde = “Taylor made”
cue’s het beste kan omgaan!
Cue’s kunnen ook situatie-gebonden zijn; bijvoorbeeld
de man, die bij een obstakel aarzelt met doorlopen en zich dan herinnert,
dat zijn kleinzoon daar eens zei, ‘Opa dóórlopen!’
Dergelijke cue’s zijn met bewuste commando’s ter plaatse
ook goed zelf uit te voeren, nadat die daar eerst onder leiding zijn aangeleerd.
B. Verder zijn er onbewuste cue’s als uitlokking: bijvoorbeeld de plotseling toegeworpen bal, die spontaan wordt gevangen, het onverwachte telefoontje dat iemand pardoes uit zijn stoel doet opstaan, of de plas op straat waar de Parkinsonpatiënt zonder aarzelen overheen stapt.
Rituelen horen ook tot de onbewuste Cue’s; ze worden
door iedereen gebruikt, om – zonder daarover na te hoeven denken! –
vertrouwde handelingen gemakkelijk als vanzelf te kunnen uitvoeren. Zo heeft
elk mens zijn eigen ‘aardigheden’, om bepaalde activiteiten in
het dagelijks leven telkens weer op dezelfde manier uit te voeren. (Zoals
bijvoorbeeld de volgorde van zich aan te kleden. Let ook eens op hoe veel
sporters rituelen gebruiken.)
Sommige Parkinsonpatiënten MOETEN dikwijls eerst stereotype handelingen
uitvoeren alvorens op gang te kunnen komen, bijvoorbeeld eerst door de knieën
gaan of een stukje achteruit lopen alvorens normaal vóóruit
te kunnen gaan.
Dergelijke rituelen zouden dus ook tot de cue’s kunnen worden gerekend.
Emoties kunnen bewust én onbewust werken als cue:
iemand loopt anders als hij verliefd is, dan wanneer hij bedroefd is, of zich
‘om niets’ nerveus voelt.
(Kijk maar eens hoe je handtekening telkens anders is en afhankelijk van
je stemming.)
‘Automatische’ cue’s, zoals een metronoom werken op den duur niet, omdat men eraan gewend raakt. Denk aan het tikken van de klok thuis; die allang niet meer gehoord wordt. De metronoom kan goed helpen als het lopen op zich doel van bewegen is, maar als het lopen onderdeel uitmaakt van bijvoorbeeld een kopje koffie verplaatsen, is alle aandacht gericht op het niet morsen en dan wordt het loopritme van de metronoom makkelijk vergeten!
Bij Cueing zal er dus steeds een zeker verrassingseffect nodig zijn! Zo blijkt herhaaldelijk, dat patiënten weliswaar routinematig hun medicijnwekker afzetten, maar vergeten dan er ook daadwerkelijk hun medicijnen uit te nemen, als ze op dat moment afgeleid zijn door bijv. een boeiend gesprek!
Cue’s moeten bij voorkeur helpen de handelingen ‘onbewust’
uit te kunnen voeren.
Daarom is het belangrijk de patiënt zo veel mogelijk op zijn
eigen manier van doen te laten bewegen en hem geen andere methode
aan te leren. Bijvoorbeeld zijn manier om in of uit zijn bed te komen. (wie
weet er trouwens precies hoe hij zijn bed in of uit gaat ?)
Het blijkt voor de patiënt echt verwarrend te zijn als hem een handeling
anders wordt aangeleerd, dan hij gewoon(te getrouw!) steeds onbewust
heeft gedaan. Hij is meer geholpen met aanpassingen als een papegaai bijvoorbeeld,
om zijn manier van doen makkelijker te kunnen uitvoeren. (Doe bijvoorbeeld
zelf je armen eens ‘spontaan’ ánders over elkaar!.)
**************
Höhn & Yahr beschreven 5 stadia waarin de verschijnselen van Parkinson zich in de loop van de tijd kunnen manifesteren. Als therapeut beschrijf ik ze als volgt:
I. Diagnostische fase: Hierbij vertonen de verschijnselen zich slechts aan één zijde.
Dikwijls wordt aan het minder meebewegen van een arm of been een andere verklaring gegeven, maar toch moet er bij die ‘frozen shoulder’, of gebroken heup, of problemen met eten en schrijven, en zelfs bij ‘burn-out’ ook eens aan Parkinson worden gedacht.
Als bijvoorbeeld met stress de verschijnselen kunnen worden geprovoceerd en, vanzelfsprekend als er met ‘anti-parkinsonmedicatie’ verbetering blijkt te ontstaan.
Ontspanning is in dit stadium beslist nuttig, net als een meer rustige dagindeling (‘goed is goed genoeg!’). Verder is conditie training nuttig; let wel geen competitie! En in dit stadium kan het de patiënt al bewust worden gemaakt, hoe hij zijn Activiteiten in het Dagelijks Leven (ADL) gewend is uit te voeren.
II. Begeleidingsfase: beide zijden zijn aangedaan en er ontstaan problemen met de houding en het bewegen, maar er is nog geen sprake van evenwichtsproblemen en valneiging.
Naast het bovenstaande advies zal hier vooral aan de conditie gewerkt moeten worden; bijv. door vertrouwde sporten – re-creatief; zónder competitie! – te blijven doen. Verder moet de houding zo veel mogelijk gecorrigeerd worden; ondermeer door de onvrijwillige neiging (pulsie) te leren beheersen, om te snel te lopen en/of een kromme/scheve houding aan te nemen. Daarbij kan geobserveerd en bewust geleerd worden hoe de handelingen worden uitgevoerd en met welke cue’s de handelingen makkelijke uitgevoerd kunnen worden. Ondermeer door te leren de bewegingen stap voor stap te doen, ze te benoemen en dan op eigen commando uit te voeren.
III. Therapeutische fase: Dikwijls wordt de patiënt pas naar de therapeut verwezen, als er óók evenwichtsproblemen zijn ontstaan. En problemen met starten, wenden en stoppen, de valneiging toeneemt en er sprake is van ‘freezing’; het verwarrende On/off-fenomeen. Zoals uit het bovenstaande duidelijk mag worden, had er preventief al veel nuttige therapie gegeven kunnen worden; ondanks het feit dat de patiënt zich tot dan toe nog redelijk zelfstandig heeft kunnen redden.
In deze fase worden de fluctuaties gedurende de dag echter groter en lijkt de patiënt het ene moment in fase II en dan weer in III of zelfs IV te kunnen verkeren; dat is erg frustrerend en demotiverend. Vandaar dat het goed is om al vroeg met therapie te beginnen en te leren van de cue’s gebruik te maken.
IV. ‘Verzorgingsfase’: Wanneer de patiënt niet meer zonder directe hulp de meest basale activiteiten in zijn dagelijks leven kan uitvoeren, wordt er stilletjes aan steeds meer een beroep gedaan op de partner/mantelzorger en is thuiszorg uiteindelijk onvermijdelijk.
Gerichte informatie en instructie over hoe de handelingen stap voor stap kunnen worden uitgevoerd en hoe cue’s toegepast kunnen worden, is het belangrijkste doel. (zie daarvoor ook bij persoonlijke hulp verderop en hfdst. 5 in het boek)
V. ‘Verpleeghuisfase’: is de fase waarin de patiënt afhankelijk is van meer dan één hulpverlener; hij is rolstoelgebonden en of bedlegerig en vertoont in het ergste geval ‘paratonie’ en dikwijls is er ook sprake van dementie.
Deze fase komt gelukkig maar in zo’n 10% van de gevallen voor en behoeft een heel specifieke aanpak; met name van de paratonie, die ernstige rigiditeit, waardoor die mens praktisch onverpleegbaar dreigt te worden, met alle noodlottige gevolgen van dien.
De behandeling van de paratonie valt buiten het bestek van deze website, omdat die een heel specifieke aanpak behoeft en zeer individueelgericht is.
Onlangs is wetenschappelijk aangetoond, dat de hersenen weldegelijk meer actief blijven, als ze maar voldoende prikkels krijgen aangeboden.
**************
.Aan de hand van die kaart kan ook de therapie heel specifiek worden toegepast. Ook als iemand steeds op dezelfde plaats struikelt, ligt dat vast aan die omstandigheden en dat kan met enige instructie en mogelijke aanpassingen opgelost worden.


Kortom: Benader iedere patiënt vanuit zijn eigen belevingswereld!
**************
Persoonlijke hulp aan de partner of mantelzorger is van
groot belang, omdat die als
het ware ook ‘Parkinson’ heeft en soms wel 24 uur van de dag moet
klaarstaan om de nodige ondersteuning te geven. Ondermeer bijvoorbeeld om
te helpen observeren, maar ook om de patiënt te helpen herinneren aan
de instructies, waarmee hij zich zo lang mogelijk zelf kan blijven redden
en last but not least voor de nodige verzorging.
De vraag is dan wel: ‘wanneer help je, of wanneer laat je het
hem zelf doen’ ?
Trek nooit aan iemand met Parkinson, omdat hij door gebrek aan dopamine niet instaat is daar goed op te reageren; hij zal dan verstarren en dat geeft de indruk, dat hij tegenwerkt. Het is dan wel de vraag: ‘waaróm zou hij willen tegenwerken?’
Als iemand met Parkinson op de juiste manier wordt vastgehouden: aan zijn
‘handvatten’ !, kan hij zelf het beste meewerken.
Bewegingspatronen kunnen worden uitgelokt, door hem op de juiste plaats aan
te raken.
Zorg in ieder geval, dat hij stabiel staat, om ‘freezing’ (verstarring)
te voorkomen.
En om hem te helpen zich in en om het bed en huis te verplaatsen zijn er speciale
manieren, waarmee de hulpverlener zichzelf ook zoveel mogelijk kan ontzien:
Helpen verplaatsen van mensen met Parkinson:
| Vuistregel: | Laat de patiënt de Vrijheid om zoveel mogelijk
zelf te doen, biedt hem Veiligheid aan, waar hij op kan Vertrouwen en voldoende kán meewerken. (zelfcontrôle ? eigen Verantwoordelijkheid) |
||||||||||
| 1. Informeer: | wat de patiënt wil en zelf kan doen en hoe hij
het beste kan meewerken (papegaai en goede uitgangshouding / stand van het bed!) Wat wil jij als hulpverlener: staat het bed op de juiste hoogte (= draaipunt in de heup), staat de (rol-/po-)stoel stevig, is er genoeg ruimte om te handelen en staan de nodige spullen klaar. (Waskom en handdoeken etc. ?) |
||||||||||
| 2. Instrueer: | wat je gaat doen en wat je van de patiënt verwacht: Pak hem bij voorkeur aan de gelijknamige hand; die ‘voor de hand ligt’! |
||||||||||
| 3. Handvatting: | Pak de patiënt vast aan zijn ledematen, zo dat die kunnen meewerken;
|
||||||||||
| 4. Handreiking: | wáár raak je de patiënt aan?
Lok bewegingspatronen uit:
|
||||||||||
| 5. ‘EVEN veel tegenWICHT’ | NIET TILLEN, maar met voldoende tegenwicht
HANGEN ! Tuimelen = boven- en onderlichaam zijn met elkaar in evenwicht. Lopen met stevige steun aan de gezonde zijde. (Verzorgers, pak elkaar eens vast in de ‘gabbersgroet’ en zie wie het sterkste is en ga ook eens hangen aan de middelste vinger; die is het sterkste.) |
| TENSLOTTE: | WEES ZELFVERZEKERD = “Opscheppershouding” !
|
| HEB GEDULD: | |
|
|
| MAAR, overal zijn grenzen aan: | |
| STOP, als je niet (zelfver)ZEKER(d) bent. (Een patiënt , die jouw onzekerheid voelt, zal verstijven !) Vraag op tijd hulp, of maak gebruik van de TILLIFT. Laat de patiënt ook in de tillift meewerken; leg de hangmat goed aan en laat hem zo mogelijk het juk vasthouden. veiligheid ! |
**************
Aanpassingen geven de mens met Parkinson aanvankelijk het gevoel ‘steeds
meer te moeten inleveren’. Evenwel het krampachtig blijven worstelen
om zich ook zonder die aanpassingen zelf te kunnen blijven redden, zal de
verschijnselen alleen maar verergeren.
Uiteindelijk blijkt, dat het leren accepteren van de handicap en er dús
openlijk voor uit te durven komen, de beste remedie te zijn. ( Neem als
voorbeeld Prins Claus, die zijn ziekte niet kon verhullen!) En ook buitenstaanders
kunnen dan beter begrijpen , hoe zij met Parkinson kunnen omgaan.
Enkele belangrijke hulpmiddelen zijn bijvoorbeeld de papegaai;
een bedgalg boven het (hoog-laag) bed, om zich aan op te kunnen trekken, of
een ‘Pakpaal’ of een ‘Betty’.
Een goede leuning langs de trap, een beugel in het (verhoogde) toilet en in
de (zit-)douche-ruimte. Een hoog-laag-relaxstoel in de kamer en eventueel
een ‘werkstoel’ met een ‘15° blad’, om makkelijker
aan tafel te kunnen gaan zitten en te kunnen lezen, puzzelen of schrijven.
Afhankelijk van de ervaring een (aangepaste driewiel-)fiets, eventueel met
heupfixatie bij lateropulsie. En op den duur een rollator, afhankelijk van
de pulsie (zie boven).
Het is ook nuttig tijdig kledingadviezen in te winnen bij een ergotherapeut,
om daarmee gemakkelijk zelf bijvoorbeeld jas en schoenen te kunnen blijven
aantrekken.
Tenslotte blijkt ook hierbij het advies, alleen middelen aan te schaffen, die ‘complementair’ zijn aan de gebruikelijke bewegingsstrategieën en dus geen, andere strategieën vereisen. (Zo blijkt het rijden in een scootmobiel dikwijls veel te ingewikkeld).
© Piet Hein van Seggelen